Nieuws op www.vlaamsbelang.org

Initiatieven

Tussenkomst n.a.v. de openbare verkoop van de pastorij van Voorde

Gemeenteraad
12 februari 2003

Gemeenteraad februari 2003

In het algemeen beleidsprogramma 2001-2006 werd aangekondigd dat het onroerend patrimonium van de stad zou geoptimaliseerd worden naar gebruik. Er zou binnen een redelijke termijn een globaal beleidsplan voorgelegd worden. Monumentenzorg zou bovendien een bijzonder aandachtspunt worden, waarbij er zou gepoogd worden een globale visie op het vlak van monumentenbeleid te ontwikkelen. Ondanks die mooie beloften, komt daar in de praktijk niets van terecht. In de gemeenteraad van september 2002 klaagde ik reeds het non-beleid inzake patrimonium in het algemeen en het triestige lot van de geklasseerde pastorij van Voorde in het bijzonder aan.

De pastorij van Voorde bevindt zich in een verregaande toestand van verwaarlozing. De voormalige pastorij staat nu al meer dan vier jaar leeg en het enige wat de Stad ooit aan het gebouw deed, is het herstellen van het dak. Ik heb daar de volgende bedenkingen bij. In de eerste plaats bij het feit dat het gebouw niet voorkomt op de inventaris van leegstaande en verwaarloosde gebouwen en/of woningen die dient als basis voor de gewestelijke heffing ter bestrijding van leegstand en verkrotting. Het is een essentieel kenmerk van de rechtsstaat dat de rechtsregels niet alleen gelden voor de burger, maar ook voor de overheid. Ik zie dan ook niet in waarom de overheid een voorkeurbehandeling moet genieten ten opzichte van andere eigenaren van bebouwde onroerende goederen. Wel integendeel, de overheid en dus ook de Stad Ninove zou juist het goede voorbeeld moeten geven door haar patrimonium niet te laten verkommeren. Wellicht is dat echter een te idealistische visie op de overheid. Het is immers de gemeente zelf die aan de bevoegde administratie van het Vlaamse Gewest moet meedelen welke gebouwen en/of woningen op haar grondgebied verwaarloosd zijn en/of leegstaan en daar wringt natuurlijk het schoentje!

Ook de voorschriften inzake instandhouding en onderhoud van monumenten gelden blijkbaar alleen maar voor particuliere eigenaren van beschermde monumenten. Ik verwijs naar het besluit van de Vlaamse regering van 17 november 1993, dat de eigenaar of vruchtgebruiker van een monument verplicht zorg te dragen voor de instandhouding en het onderhoud, onder meer door het onmiddellijk vervangen van gebroken en gebarsten ruiten en door het treffen van de nodige veiligheidsmaatregelen tegen brand, blikseminslag, waterschade, diefstal en tegen moedwillige of toevallige beschadiging. Elk schadegeval moet bovendien aan Monumenten en Landschappen gemeld worden (artikel 2, §2). Wat het interieur van monumenten betreft – en het is toch precies het interieur van de voormalige pastorij dat in het bijzonder wordt geroemd omwille van de rijke muurschilderingen en de wandschilderingen op doek – is de eigenaar of vruchtgebruiker verplicht het interieur in goede staat te bewaren, het te vrijwaren voor beschadiging en vernieling en alle werken te verrichten die noodzakelijk zijn voor de instandhouding en het onderhoud, onder meer door het te beveiligen tegen brand, diefstal, blikseminslag, waterschade en tegen moedwillige of toevallige beschadiging, en door het tijdig bestrijden van aantasting door onder meer vocht. Wie als eigenaar of vruchtgebruiker van een beschermd monument onvoldoende inspanningen doet om het monument in goede staat te behouden, riskeert een geldboete van 5.000 tot 25.000 euro. Een natuurlijke persoon kan zelfs een gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden oplopen. Opnieuw is de gemeente echter rechter en betrokken partij, want het is in het bijzonder de burgemeester die belast is met het toezicht op de naleving van de voorschriften inzake de instandhouding en het onderhoud van monumenten.

Zoals gezegd omvat de verplichting van de eigenaar van een beschermd monument om het monument in goede staat te behouden mede het treffen van maatregelen met het oog op het vrijwaren van het monument tegen moedwillige beschadiging, met andere woorden tegen vandalisme. We hebben in de krant kunnen vernemen dat vandalen voor de tiende keer ongestoord vernielingen hebben kunnen aanrichten, waarbij niet alleen een deur werd ingetrapt, ruiten werden ingegooid, de hoofdkraan in de kelder werd opengedraaid en de kraan van de badkamer van de muur werd geschopt, maar wat nog veel erger is een aantal unieke wanddecoraties op doek en muurschilderingen onherstelbaar beschadigd werden. Ook bij een vorig ongewenst bezoek vormden die schilderingen reeds het voorwerp van de vernielzucht. Men zal ongetwijfeld de afgezonderde ligging van de pastorij inroepen om aan te voeren dat vandalen er vrij spel hebben en het is natuurlijk juist dat men onmogelijk een verlaten pastorij permanent kan laten bewaken. Dat vandalen echter tot tien keer toe hun gangen kunnen gaan, roept toch vragen op. Door de besluiteloosheid van het stadsbestuur rond de bestemming van de pastorij en de verwaarlozing van het gebouw die daarvan het gevolg is, is de Stad op zijn minst medeplichtig aan de teloorgang van een stuk waardevol patrimonium. Dit is een prototypisch voorbeeld van de zogenaamde Broken Windows – theorie van Wilson en Kelling die een relatie legt tussen een afgetakelde omgeving en bepaalde vormen van criminaliteit. Een gebouw dat op zichzelf reeds geen intacte indruk maakt, trekt vandalisme aan en zo gaat de verloedering van kwaad tot erger. Wanneer een ingeslagen venster gedurende langere tijd niet hersteld wordt, dan is dat een duidelijk signaal dat niemand zich om de schade bekommert en dat het dus niet uitmaakt als er nog andere vensters worden ingeslagen. Het Stadsbestuur had reeds veel vroeger, onmiddellijk na de eerste vernielingen, maatregelen ter voorkoming van het vandalisme moeten nemen. De Stad is daartoe als eigenaar verplicht. Bovendien komt de beveiliging van het monument en van het daarin aanwezige kunstbezit tegen onder meer vandalisme en diefstal in aanmerking voor de toekenning van een zogenaamde restauratiepremie. Het Gewest komt tussen voor 60% van de gedane uitgaven en de provincie voor 20%. Tenslotte worden lokale besturen niet alleen financieel, maar ook praktisch ondersteund om beveiligingsinstallaties te plaatsen. Zij kunnen, indien zij beveiligingswerken van geringe omvang en van een gangbaar type laten uitvoeren, met toepassing van de restauratiepremieregeling gebruik maken van een stockaanbesteding van Monumenten en Landschappen, wat gunstigere condities oplevert in vergelijking tot normaal te verwachten offertes voor afzonderlijke opdrachten. Overigens neemt Monumenten en Landschappen tevens de leiding van de werken op zich. Bij mijn weten heeft het College echter zelfs niet de moeite gedaan om contact op te nemen met de Cel Beveiliging van Monumenten en Landschappen, die op aanvraag advies verstrekt over systemen ter beveiliging tegen vandalisme en dergelijke meer. Het minste wat men had kunnen doen, was de schilderingen op doek elders in veiligheid onderbrengen. In mijn interpellatie tijdens de gemeenteraad van september 2002 vroeg ik tevergeefs of en hoe vaak er toezicht werd uitgeoefend en welke maatregelen er zouden getroffen worden om verder vandalisme te voorkomen. Er was ooit een Eerste Minister die zei de problemen pas op te lossen als ze zich stelden. Het Stadsbestuur slaagt zelfs daar nog niet in.

De meeste effectieve manier om de voormalige pastorij van Voorde te beschermen, had er natuurlijk in bestaan om reeds veel vroeger tot de verkoop over te gaan of het gebouw een bestemming te geven. In dat geval hadden de vandalen geen kans gekregen om hun vernielzucht bot te vieren. Men wist echter blijkbaar niet wat men wou. Reeds eind 1998 werd door de gemeenteraad tot openbare verkoop besloten. Eind juni 2002 verklaarde Schepen Van Eeckhout echter nog in de pers dat het stadsbestuur niet meteen concrete plannen voor een zinvol gebruik van het pastoorsdomein heeft, maar dat er binnen het Schepencollege eensgezindheid over bestaat dat een dergelijk domein openbaar bezit moet blijven. Nu zal men dan toch verkopen, hoewel de geraamde ontvangst van de verkoop met geen vergrootglas in de begroting 2003 te bespeuren is. De passieve houding, de besluiteloosheid en wankelmoedigheid van het stadsbestuur, is de voornaamste oorzaak van de onherroepelijke beschadiging van onvervangbaar kunstpatrimonium. Ik hoop dat dit een les voor de toekomst mag zijn opdat eindelijk werk wordt gemaakt van een dynamisch patrimoniumbeleid in plaats van het huidige non-beleid.

Werner Somers
Gemeenteraadslid







Categorie:   


Wil u ook een webstek als deze voor uw afdeling, district, koepel of regio?