« 18.10.2008 » Windenergie ! |
|
|
Windturbines JA , maar op het NIEUWE industrieterrein.
Vlaams Belang Ninove steunt het actiecomité dat zich verzet tegen de bouw van minstens vier windturbines op het indust... |
|
| Lees meer |
|
|
|
Gemeenteraad
Blunders in dossier aanleg archeologisch park
12.02.2003 • Geachte collega's,
In het dossier van de heraanleg van de omgeving van de O.L.V.-Hemelvaartkerk werden de blunders opgestapeld. We zouden het in dat verband kunnen hebben over het feit dat de tweede schijf van een subsidie van de Koning Boudewijnstichting door nalatigheid werd mislopen of over het feit dat tot tweemaal toe een stedenbouwkundige vergunning voor de parking werd geweigerd omwille van het ontbreken van een globale visie op de omgeving van de O.L.V.-Hemelvaartkerk, waarna men een reeds vier jaren bestaande nota tot globale visie verhief.
Vandaag moeten wij dan weer stemmen over de goedkeuring van een ontwerp waartoe de opdracht aan het Projectbureau Signa werd gegund in strijd met de wetgeving op de overheidsopdrachten. Men heeft zich daarvoor immers ten onrechte gebaseerd op artikel 17,§2,2°, b) van de overheidsopdrachtenwet van 24 december 1993. De wet van 24 december 1993 laat toe dat een aanbestedende overheid gebruik maakt van een onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking van een bericht van aanbesteding in geval van nieuwe diensten, bestaande uit de herhaling van soortgelijke diensten die door dezelfde aanbestedende diensten aan de met een eerste opdracht belaste dienstverlener werden toevertrouwd. Dit is echter slechts mogelijk:
· Indien de eerste opdracht gegund werd na aanbesteding of offerteaanvraag;
· Indien de nieuwe diensten overeenstemmen met een basisontwerp dat het voorwerp uitmaakte van de eerste opdracht;
· Indien de mogelijkheid tot aanwending van deze procedure reeds bij de uitschrijving van de eerste opdracht vermeld werd.
Aan geen enkele van de genoemde voorwaarden is voldaan. De toewijzing op 20 oktober 1998 door het Schepencollege van de opdracht voor het opmaken van een ontwerp in verband met de bestemming van de archeologische site als archeologisch park aan het projectbureau Signa werd voorgesteld als een uitbreiding van een eerdere opdracht van het projectbureau, namelijk de opmaak van een ontwerp met betrekking tot de restauratiewerken aan de drie huisjes op het Kerkplein die men als museum wil inrichten. Die opdracht werd onderhands toegewezen, zoals dat toen nog heette en dus niet bij wijze van aanbesteding of offerteaanvraag, zoals gezegd een van de voorwaarden om gebruik te kunnen maken van de soepele procedure van artikel 17, §2, 2°, b) van de wet van 24 december 1993. Alleen al om die reden is het besluit van het Schepencollege van 20 oktober 1998 volstrekt onwettig. Dat is ook logisch, want anders zou men een bij onderhandelingsprocedure gegunde opdracht naar eigen goeddunken en tot in het oneindige kunnen uitbreiden, waardoor men de in de wet bepaalde drempel voor de aanwending van een onderhandelingsprocedure zou kunnen omzeilen. In het besluit van de gemeenteraad van 17 oktober 1996 waarbij het principe van de restauratie van de drie huisjes op het Kerkplein en de inrichting ervan als abdijmuseum werd goedgekeurd en het College van Burgemeester en Schepenen werd gemachtigd om een ontwerper aan te stellen, wordt bovendien de mogelijkheid om de opdracht uit te breiden, niet vermeld. Overigens is het besluit van de gemeenteraad van 17 oktober 1996 op zijn beurt onwettig, daar de gemeenteraad het Schepencollege machtigt een ontwerper aan te stellen zonder de wijze te bepalen waarop de opdracht moet worden gegund! De gemeenteraad is daartoe nochtans verplicht op grond van artikel 234 van de Nieuwe Gemeentewet. De keuze van de gunningsprocedure komt niet toe aan het Schepencollege, behalve in gevallen van dringende spoed die voortvloeien uit niet te voorziene omstandigheden. Het besluit van de gemeenteraad van 17 oktober 1996 had eigenlijk nooit door het Schepencollege mogen uitgevoerd worden: een duidelijk geval van machtsoverschrijding.
Afgezien van het feit dat de eerste opdracht bij onderhandelingsprocedure werd gegund en dat de mogelijkheid tot uitbreiding van de opdracht niet was voorzien, is het de vraag of het opstellen van een ontwerp voor de inrichting van de archeologische site als archeologisch park enerzijds en de eerder aan hetzelfde projectbureau toegewezen opdracht voor het maken van een ontwerp betreffende de restauratiewerken aan de drie huisjes anderzijds als "soortgelijke diensten" in de zin van de overheidsopdrachtenwet kunnen beschouwd worden. Dit is toch wel een zeer ruime interpretatie van het begrip "soortgelijk". De enige reden die het Schepencollege in 1998 aangaf, was dat beide projecten nauw bij elkaar aansluiten. Als men diezelfde logica doortrekt, kan men het projectbureau net zo goed belasten met de levering van meubilair, eens de huisjes aan het Kerkplein als museum ingericht worden.
Het gaat hier niet zomaar om een procedurefoutje, maar om de miskenning van het in artikel 1 van de overheidsopdrachtenwet neergelegde principe dat alle overheidsopdrachten gegund worden na mededinging. Van mededinging is hier op geen enkel ogenblik sprake geweest. De onderhandelingsprocedure is weliswaar een soepelere procedure dan de aanbesteding of de offerteaanvraag, maar ook bij deze procedure is het uitgangspunt dat beroep dient te worden gedaan op een bepaalde vorm van mededinging. De onderhandelingsprocedure wordt in artikel 17, §1 van de wet van 24 december 1993 gedefinieerd als een procedure waarbij de aanbestedende overheid meerdere aannemers, leveranciers of dienstverleners van haar keuze raadpleegt en over de voorwaarden van de opdracht onderhandelt met één of meer van hen. In artikel 17, §2 van de overheidsopdrachtenwet wordt dit uitgangspunt herhaald: indien mogelijk moeten meerdere aannemers, leveranciers of dienstverleners geraadpleegd worden. Aan de wettelijke eis van voorafgaande raadpleging 'indien mogelijk' dient volgens Professor David D'Hooghe een reële draagwijdte toegekend te worden, wat betekent dat telkens de zaak mogelijk is, het bestuur meerdere ondernemers of leveranciers moet raadplegen, alvorens over te gaan tot de gunning van een onderhandse opdracht. Tenzij kan aangetoond worden dat uitsluitend de gekozen ondernemer bekwaam was om de opdracht uit te voeren, is de toewijzing van een opdracht zonder voorafgaande raadpleging van meerdere ondernemers onwettig.
Algemeen wordt aangenomen dat de wetgeving inzake de overheidsopdrachten van openbare orde is. De toewijzing van een overheidsopdracht in strijd met deze wetgeving brengt dan ook in principe mee dat de verbintenissen die voortvloeien uit een aannemingsovereenkomst die slechts tot stand is kunnen komen door een dergelijke onwettige gunningsbeslissing een ongeoorloofde oorzaak hebben in de zin van artikel 1133 van het Burgerlijk Wetboek, meer bepaald een oorzaak die strijdig is met de openbare orde. Die verbintenissen kunnen dan ook in beginsel geen gevolgen hebben en zijn door een absolute nietigheid aangetast. Een belanghebbende derde, m.a.w. een concurrerende aannemer die de opdracht mislopen heeft en een redelijke kans had om de opdracht in de wacht te slepen, indien de wetgeving correct werd nageleefd, kan zich dan ook verzetten tegen de uitvoering van een dergelijke overeenkomst door de schorsing ervan te vragen, dan wel door er de nietigheid van te laten vaststellen. In dit geval is de overeenkomst reeds uitgevoerd en staan we voor voldongen feiten. Blijft echter het feit dat de wetgeving inzake de overheidsopdrachten op een flagrante manier miskend werd.
Graag had ik van het Schepencollege geweten wat de reden was voor de onwettige aanwending van de uitbreidingsprocedure. Was het onwetendheid of opzet? Welke juridische gevolgen kan dit hebben? Zolang er daarover geen duidelijkheid bestaat, is de goedkeuring van het ontwerp problematisch.
Daarmee is de kous echter nog niet af. Behalve Projectbureau Signa werden nog twee andere ontwerpers aangesteld in verband met de heraanleg van de omgeving van de Abdijkerk. Ook de aanstelling van het tweede studiebureau op 23 juni 1988 was onwettig. Toen werd rechtstreeks door de gemeenteraad besloten om een op 7 juli 1987 onderhands toegewezen opdracht uit te breiden tot de opmaak van een ontwikkelingsplan voor de omgeving van de Abdijkerk. Ook de toen geldende overheidsopdrachtenwet van 14 juli 1976 liet dit niet toe en ook in dit geval werd de mogelijkheid van de uitbreidingsprocedure bij het uitschrijven van de eerste opdracht niet vermeld. Bovendien is het zo dat artikel 236 van de Nieuwe Gemeentewet de eigenlijke gunning van de overheidsopdracht voorbehoudt aan het college van burgemeester en schepenen. Volgens Maurice-André Flamme in Praktische Commentaar bij de Reglementering van de Overheidsopdrachten is dit een bepaling van openbare orde waarvan de niet-naleving de nietigheid van de toewijzingsbeslissing tot gevolg heeft en is de opdracht, bij ontstentenis van enige toewijzing door het college niet geldig toegekend.
De hamvraag, afgezien van het kluwen van wetsschendingen, is echter hoe al die verschillende opdrachten en ontwerpen zich tot elkaar verhouden. Wat is de status ervan? Blijkbaar is alleen de eerste ontwerper, nota bene reeds op 13 november 1984, regelmatig aangesteld. De eerste ontwerper werd overigens nooit opgezegd en voert nu aan dat zijn contractuele rechten miskend worden. Dit dossier vertoont werkelijk kafkaiaanse trekken. Immers: in zitting van 21 januari 1988 werd door de gemeenteraad een definitief voorontwerp van de eerste ontwerper goedgekeurd. Amper vijf maanden later wordt een tweede ontwerper aangesteld.
Pas op een overlegvergadering op 10 oktober 2001 kwam de oorspronkelijke ontwerper te weten dat de stad behalve op hem nog op twee andere ontwerpers beroep doet in dit dossier. Drie brieven vanwege de oorspronkelijke ontwerper waarin gevraagd werd om verduidelijkingen en om inzage in het dossier bleven onbeantwoord. U moet toch toegeven dat dit alles behalve getuigt van behoorlijk bestuur en de indruk wekt dat de Stad iets te verbergen heeft. Het is zelfs zover moeten komen dat de eerste ontwerper zich begin juni van dit jaar tot de Gouverneur moest wenden om inzage in het dossier te verkrijgen. De Gouverneur verzocht in een schrijven van 7 juni 2002 het Schepencollege binnen de veertien dagen alle voor de behandeling van het dossier relevante stukken, inclusief een eensluidend verklaard afschrift van de besluiten die betrekking hebben op het ontwerp van de aanleg van de omgeving van de Abdijkerk aan zijn ambt over te maken en zijn standpunt dienaangaande kenbaar te maken. Het zou interessant zijn het door het college ingenomen standpunt te vernemen en te weten hoe het nu verder moet. Kan het Schepencollege misschien ook zeggen hoeveel de grap van de aanstelling van de drie ondernemers aan de Ninoofse belastingbetaler gekost heeft?
Werner Somers
Gemeenteraadslid
|
|