Initiatieven
Tussenkomst ontwerp gemeentelijk ruimtelijk structuurplan
Gemeenteraad
27 mei 2010
Geachte collega’s,
Vandaag staat de voorlopige vaststelling van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan op de agenda van de gemeenteraad. Dat is dertien jaar na de opstart van het structuurplanningsproces, twaalf jaar nadat een startnota werd opgesteld, meer dan zeven jaar nadat een eerste voorontwerp tot stand kwam. Momenteel ligt het zesde voorontwerp voor ons. Ninove voldoet nog steeds maar aan één van de vijf criteria om ontvoogd te worden, d.w.z. om zelfstandig vergunningen te mogen afgeven zonder telkens het voorafgaand advies te moeten vragen aan de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar. Daarmee bengelen we helemaal achteraan het peloton van Vlaamse steden en gemeenten. 282 Vlaamse steden en gemeenten doen beter dan Ninove. Niet alleen beschikken we nog altijd niet over een structuurplan, maar evenmin over een register van onbebouwde percelen, een plannenregister en een vergunningenregister. Onze buurgemeente Denderleeuw werd reeds vier jaar geleden, op 1 april 2006, ontvoogd.
Geachte collega’s,
Wanneer we kijken naar het bindend gedeelte met de bepalingen waarvan de gemeente niet mag afwijken, dan valt op dat vooral heil wordt verwacht van de hogere bestuursniveaus. De zinsnede “Het gemeentebestuur stelt voor aan de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen” of “de gemeente dringt er bij de provincie Oost-Vlaanderen op aan” komen we een tiental keer tegen. Veel eigen beleidskeuzes worden er niet gemaakt. Ik heb de indruk dat men het allemaal zo vaag en vrijblijvend mogelijk heeft willen houden. Heel wat bindende bepalingen gaan over allerlei ruimtelijke uitvoeringsplannen : een ruimtelijk uitvoeringsplan voor Preulegem, een ruimtelijk uitvoeringsplan voor de ontwikkeling van het woongebied Hof ter Duyst, ruimtelijke uitvoeringsplannen voor de zonevreemde bedrijven, voor de zonevreemde woningen enz. De gemeente zal jaarlijks een selectie moeten maken van de op te starten RUP’s. Het is in die ruimtelijke uitvoeringsplannen dat uiteindelijk het beleid inzake ruimtelijke ordening voor een groot deel concreet gestalte zal krijgen. Ik kijk uit naar het eerste jaarprogramma dat een selectie dient te bevatten van acties en maatregelen uit het bindende gedeelte van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan en vooral naar het eerste jaarverslag waarin de uitvoering daarvan zal worden geëvalueerd.
Tijdens de voorafgaande besprekingen was er heel wat te doen over het aspect van de
verdichting. Op p. 199 lezen we daarover in het richtinggevend gedeelte dat, om het potentieel aanbod te vergroten en het wonen te concentreren, wordt gestreefd naar
hogere dichtheden in het stedelijk gebied en in de kernen van het buitengebied. Enkel in de dorpskernen die niet als woonkern zijn geselecteerd, worden geen minimale dichtheden omschreven. Het gaat om de dorpskernen van Nederhaselt, Lebeke, Eichem, Neigem en Lieferinge. Er is dus sprake van een differentiatie van de kernen in het buitengebied. Wat de dorpskernen betreft die als woonkern zijn geselecteerd in het provinciaal ruimtelijk structuurplan, wordt in het ontwerp van gemeentelijk ruimtelijk structuurplan, nog eens gedifferentieerd tussen de voorzieningenkernen Appelterre, Okegem en Denderwindeke enerzijds en de andere kernen (Aspelare, Voorde, Pollare en Outer) anderzijds. In de voorzieningenkernen wil de stad de bouwdichtheid voor projecten optrekken tot 25 woningen/ha. In de andere kernen worden per project minimale dichtheden van 20 woningen per ha nagestreefd. Het is mij nog altijd niet helemaal duidelijk hoe het streven naar verdichting valt te rijmen met de uitspraak op p. 196 dat ontwikkelingen die zorgen voor bijkomende druk op dorpen als Aspelare, Outer, Voorde en Pollare niet gewenst zijn. In stedelijk gebied wordt conform het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan gestreefd naar een minimale dichtheid van 25 woningen/ha. In bepaalde stedelijke omgevingen, bvb. tussen het station en de Aalstersesteenweg, wil men dichtheden realiseren van 40 tot 50 woningen/ha door middel van de bouw van appartementen en studio’s.
Te vrezen valt dat het grotere aanbod als gevolg van de verdichting niet zal leiden tot goedkopere kavels of huizen, maar vooral de projectontwikkelaars zal in de kaart spelen, die uiteraard zoveel mogelijk winst willen maken. Van een groter aanbod zou wel eens een aanzuigeffect kunnen uitgaan, waardoor de druk vanuit het Brusselse verder toeneemt. In het informatief gedeelte wordt opgemerkt dat Ninove gesitueerd is in de
Brusselse regionale woonmarkt. Volgens een bevolkingsprojectie van het Federaal Planbureau zou de bevolking van Brussel tussen 1 januari 2007 en 1 januari 2020 netto aangroeien met 382.274 eenheden, voor meer dan drie vierde het gevolg van de inwijking van vreemdelingen. In diezelfde periode zouden 213.381 mensen het Brusselse Gewest verlaten, waarvan er bijna 100.000 naar het Vlaams Gewest zouden verhuizen. Verdichting dreigt m.a.w. te leiden tot verbrusseling en verfransing. Volgens cijfers van Kind & Gezin werd in 15,5% van alle gezinnen met in 2008 geboren kinderen thuis geen Nederlands gesproken. In 10,2% was de thuistaal van deze gezinnen het Frans, met als uitschieters Ninove (14,6%) en Meerbeke (16,9%). In Ninove was het Nederlands nog maar de thuistaal in 73,7% van de gezinnen met pasgeborenen. Zolang de externe immigratie niet tot aanvaardbare proporties wordt herleid, zal de druk vanuit Brussel alleen maar toenemen.
Ik kom terug op de differentiatie van dichtheden tussen de kernen. Niet alleen tussen, maar ook binnen de kernen moet er worden gedifferentieerd, d.w.z. op het niveau van wijken, gehuchten of zelfs straten. De afbakening van volledige dorpen als kern is immers te grofmazig. In het richtinggevend gedeelte wordt opgemerkt dat op langere termijn de opmaak van
ruimtelijke uitvoeringsplannen voor de verschillende kernen mogelijk is. Ik had liever gehad dat er zou staan dat er ruimtelijke uitvoeringsplannen zullen opgemaakt worden voor de verschillende kernen. Alleen de opmaak van RUP’s voor de verschillende kernen laat m.i. toe om afdoende rekening te houden met plaatselijke factoren en aan maatwerk te doen. Het bindende gedeelte zou dan ook best voorzien in dergelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen. In het bindende gedeelte staat wel dat de gemeente onderzoekt of het mogelijk is om een stedenbouwkundige verordening op te stellen in functie van het behoud van het landelijke en authentieke karakter van de kernen in het buitengebied met de bedoeling om projecten met een stedelijk karakter in het buitengebied te voorkomen. Ook hier had er beter gestaan dat men een dergelijke verordening zal opstellen. In het informatief gedeelte op p. 127 lezen we dat de inwijking uit Brussel vooral in het buitengebieddeel van de gemeente plaatsvindt. Tegenover een toename van 1.673 woningen in het stedelijk deel van Ninove tijdens de periode 1991-2007 staat een toename met 1.987 woningen in het buitengebied. Bovendien lag in 2007 slechts 16% van de voorraad aan juridisch vastliggende bouwmogelijkheden in de stedelijke ruimte tegenover 84% daarbuiten. Inspanningen om het landelijke karakter van het buitengebied te vrijwaren zijn dan ook broodnodig. In het structuurplan Vlaanderen wordt trouwens opgelegd dat in de provincie Oost-Vlaanderen 61% van de bijkomende woningen moet worden gerealiseerd in de stedelijke gebieden.
Terecht wordt in het informatieve gedeelte gesteld dat de gemeente, als zij de groei naar het kleinstedelijk gebied wil richten i.p.v. naar het buitengebied, vooral werk zal moeten maken van een
opwaardering van het woonpatrimonium in de stad. Zo is het inderdaad nodig dat de overtollige leegstand van ongeveer 150 woningen (1% van het totale woonaanbod) zo snel mogelijk wordt weggewerkt. Dit zal heel wat financiële middelen vergen in het kader van een actief grond- en pandenbeleid. Volgens het informatieve gedeelte waren er in 2001 volgens de woningtelling nog steeds minstens 812 woningen zonder badkamer of WC. Er waren ook meer dan 4.000 oudere woningen, d.w.z. van vóór 1945. Een derde daarvan is in de stedelijke ruimte gesitueerd. Hoewel een aantal van deze woningen ondertussen verbouwd is, is de
renovatiebehoefte enorm. Op p. 200 wordt in het richtinggevende gedeelte gesteld dat in de komende beleidsperiode minstens 812 woningen moeten gerenoveerd worden. De gemeente zou zich specifiek richten op sommige delen van haar grondgebied, in het bijzonder het centrum van Ninove en in Appelterre. De opmaak van een renovatieprogramma en de oprichting van een stedelijk wooncentrum dat instaat voor de begeleiding van de aankoop en de renovatie van woningen in bepaalde buurten, zoals voorzien in het bindende gedeelte, kunnen alleen maar worden toegejuicht. Hopelijk blijft het niet bij goede voornemens en wordt deze koe zo snel mogelijk bij de horens gevat. Wat de ontwikkeling van het woongebied Hof ter Duyst betreft, moet een gefaseerde aansnijding van het gebied voorkomen dat de stadsvernieuwing in het gedrang wordt gebracht. Terecht wordt in het ontwerp van structuurplan gesteld dat de ontwikkeling van het project, goed voor 274 woningen, geen hypotheek mag leggen op de renovatie in het centrum zelf. Op een of andere manier zou de gemeente bij de realisatie van het project moeten betrokken worden om een en ander in goede banen te leiden. Naar verluidt zouden de gronden echter reeds in handen zijn van een bouwpromotor. Graag had ik van de schepen vernomen of dit klopt.
Ik zou even willen stilstaan bij de problematiek van de
zonevreemde woningen. Er zijn in Ninove niet minder dan 480 zonevreemde woningen. Daarvan zijn er alleen al in Denderwindeke 137. Ook Aspelare, Meerbeke en Outer tellen heel wat zonevreemde woningen. De vraag is of het algemeen beoordelingskader in het richtinggevend gedeelte de eigenaars van deze woningen voldoende rechtszekerheid biedt. Positief is alvast dat de verwijzing naar de gave landschappen in het beoordelingskader geschrapt werd. Deze verwijzing zou immers een belangrijke hypotheek hebben gelegd op de ontwikkelingsmogelijkheden van honderden zonevreemde woningen. De enige rechtvaardige oplossing bestaat er volgens mij in om de kavels waarop zich zonevreemde woningen bevinden in te kleuren als woongebied. Het gaat hier immers om vergunde of vergund geachte woningen, niet om illegale bouwsels, en deze woningen dateren reeds van vóór de Gewestplannen. De zonevreemde woningen zijn bovendien vaak karakteristiek voor het landschap waarvan ze reeds tientallen jaren deel uitmaken. Ik betreur dan ook dat herbestemming tot woongebied voor geen enkele ontwikkelingscategorie tot de mogelijkheden behoort.
Wat de
zonevreemde bedrijven betreft, biedt het beoordelingskader evenmin de nodige rechtszekerheid. In feite behelst het niet meer dan een reeks factoren die een rol spelen bij de afweging welke ontwikkelingsmogelijkheden aan het betrokken bedrijf moeten toegestaan worden. Hoewel ook in dit beoordelingskader de verwijzing naar gave landschappen is verdwenen, staat op p. 230 te lezen dat af te bakenen gave landschappen kunnen resulteren in lokale randvoorwaarden. Het is niet duidelijk of men dat daar is vergeten te verwijderen. Er wordt verwezen naar de uitbreiding van de KMO-zone Kapittelstraat waardoor een bijkomende oppervlakte van 3,5 ha voor lokale bedrijvigheid is gecreëerd in functie van de herlokalisatie van zonevreemde bedrijven. Ingevolge de kwestie-Buyl is er echter reeds een voorafname gebeurd op die 3,5 ha, terwijl dit bedrijf in Pollare niet zonevreemd was. De vraag is of die 3,5 ha zal volstaan voor de bedrijven die ingevolge zonevreemdheid moeten herlokaliseren. Niemand weet op dit ogenblik om hoeveel bedrijven het zal gaan. Er bestaat slechts een inventaris van zonevreemde bedrijven op basis van een enquête. Uit de actualisatie van deze inventaris in 2008 blijkt dat problemen inzake zonevreemdheid op korte termijn de toekomstige ontwikkeling van 10 bedrijfsvestigingen hypothekeert. Er bestaat m.i. echter geen enkele garantie m.b.t. de volledigheid van deze inventaris en dus valt het onmogelijk bij voorbaat in te schatten hoeveel bedrijven uiteindelijk zullen moeten herlokaliseren. Misschien kan een aantal van deze bedrijven op het nieuwe regionale bedrijventerrein een plaats krijgen. Ik lees op p. 226 in elk geval dat de gemeente er zal voor ijveren om de inplanting van kleinere bedrijven op de regionale bedrijventerreinen niet volledig uit te sluiten. Ook wat de Fabelta-site betreft, wordt gesuggereerd om een lokale inbedding niet uit te sluiten. De leegstand op de kleinschalige bedrijventerreinen kan in sommige gevallen wellicht eveneens worden aangewend om ruimte te bieden aan zonevreemde bedrijven die moeten herlokaliseren. In 2008 werden niet minder dan 14 leegstaande panden of terreinen geïnventariseerd.
Tot slot nog enkele punctuele opmerkingen:
- onze fractie maakt voorbehoud tegen het zogenaamde doortrekkersterrein voor 15 standplaatsen dat men wil inplanten in de omgeving van de Denderstraat, omwille van de overlast die dit onvermijdelijk zal veroorzaken;
- Inzake de Fabelta-site zijn wij het eens met de randvoorwaarden die worden geformuleerd voor de ontwikkeling ervan, zoals de sanering en de degelijke ontsluiting naar de Ring toe. Grootschalige bedrijvigheid is hier minder op zijn plaats. Wat ons betreft, moet er op deze site ook plaats zijn voor een evenementenhal waar de jeugd kan fuiven zonder er lawaai- of verkeersoverlast te veroorzaken.
- Op de kleinschalige bedrijventerreinen wordt 6,4 ha niet gebruikt, althans niet voor bedrijvigheid gebruikt. Voor een deel van deze terreinen dringt een herbestemming, bvb. naar wonen, zich op. In het richtinggevend gedeelte is er sprake van de ontwikkeling van een stedelijke administratie om een doorgedreven reconversiebeleid mogelijk te maken. Dat wordt echter niet uitgewerkt in het bindende gedeelte.
- Als knelpunt van de nederzettingenstructuur wordt in het informatieve gedeelte aangehaald dat het aantal uniforme appartementsblokken toeneemt en dat er nood is aan kwaliteitsbewaking. Ook dat wordt niet verder uitgewerkt in het richtinggevende of bindende gedeelte.
- Verschillende keren komen we in het structuurplan het concept tegen van de Denderpoorten op de Ring die de overgang markeren tussen het stedelijke gebied en de open ruimte. Ze zouden oriëntatieverhogend moeten werken door herkenbare, architecturale bruggen. Er heeft daarover echter nog geen overleg plaatsgevonden zodat deze Denderpoorten een luchtkasteel dreigen te worden.
- Men wil de Albertlaan en de Centrumlaan inrichten als stedelijke boulevards. De vraag is of het realistisch is om een Gewestweg zoals de Albertlaan in te richten als boulevard. Het concept van de stedelijke boulevards wordt nergens echt uitgewerkt. Op p. 221 is bij de elementen van de gewenste ruimtelijk-economische structuur overigens enkel sprake van de selectie van de Albertlaan als stedelijke boulevard.
- Positief is het principe dat bij nieuwbouwprojecten minstens één parkeergelegenheid per woning moet voorzien worden. M.i. verdient het evenwel de voorkeur om de opmaak van een stedenbouwkundige verordening op te nemen in het bindende gedeelte zodat vergunningsaanvragen daadwerkelijk kunnen worden getoetst aan dit principe.
- Tenslotte wil ik mijn tevredenheid uiten over het feit dat in het bindende gedeelte een stedenbouwkundige verordening gericht op de waardering van het bouwkundig erfgoed in het vergunningenbeleid is opgenomen. 2,5 jaar geleden brak ik reeds een lans voor een stedenbouwkundige verordening ter vrijwaring van het waardevol bouwkundig erfgoed.
Werner Somers
Gemeenteraadslid
Categorie: